Interview Young Artists (selected by), Mieke Mels 2008
Jouw werk bestaat uit verschillende elementen, kleine schetsmatige tekeningen, grote tekeningen en sculpturen die als vertrekpunt dienen om in de ruimte verder te tekenen. Dit alles resulteert in een installatie waarin verschillende van die elementen worden samengebracht. Worden deze elementen deel van een groter geheel of is er nog sprake van een afbakening van hun eigenheid?
Ik breng de verschillende tekeningen graag samen tot een groter geheel. Als ik in mijn atelier aan een sculptuur werk, ben ik achteraf wel tevreden over het eindresultaat, maar als ik die sculptuur dan ergens in een tentoonstellingsruimte plaats, bekruipt mij de onvrede om het als een afgewerkt geheel te moeten presenteren. Als reactie daarop begin ik vanuit de sculptuur verder in de ruimte te tekenen. Ik integreer ook tekeningen in dat werkproces waardoor ik het geheel als één grote installatie beschouw.
Je tekent verder vanuit de sculpturen de ruimte in tot er een organisch geheel ontstaat. Het presenteren op zich boeit je niet, gaat het dan voornamelijk om het werkproces?
Ja, het proces staat centraal. Ik zal nooit het gevoel hebben dat mijn tekening in de ruimte af is. Dit betekent echter niet dat ik eindeloos groot blijf bouwen. Ook het afbreken van stukken is belangrijk. Mijn werk groeit organisch. Alles heeft ook te maken met energiecirkels waar ik als mens door gedreven word. Ik begin te tekenen en ga daar mee door tot ik letterlijk geen energie meer heb. Als ik de volgende dag de draad weer oppik, kan ik met nieuwe energie verder tekenen. Soms voer ik een uitputtingsslag met mezelf in de tekening, wil ik testen hoe ver ik kan gaan. Het gebeurt vaak dat ik de volgende dag terugkijk naar het resultaat en daar weer drastische veranderingen in aanbreng.
Als je naar de kleine tekeningen kijkt in vergelijking met de grote, zie je een enorm verschil van aanpak en uitwerking. Waarin ligt volgens jou het onderscheid tussen beide?
Mijn kleine tekeningen zijn ideeën die ik onmiddellijk op papier zet. Dergelijke tekeningen maak ik vooral thuis, als ik weg ben van mijn atelier. Ik verzamel ze in mijn notitie- en schetsenboek. Maar ik zal nooit één van mijn kleine tekeningen in het groot overnemen. Als ik in mijn atelier tegenover een groot blad papier sta, gaat het er helemaal anders aan toe. Dan begint die energie enorm mee te spelen in de evolutie van mijn tekening. Ik teken iets, teken er achteraf een nieuwe lijn over, snij er een gat uit... Dat formaat vraagt ook zo'n behandeling. Een kleine tekening kan voldoende doorleefd zijn omwille van de frisheid.
Sommige van jouw grote tekeningen zijn als het ware overwoekerd door lijnen. Wat betekent het plaatsen van een lijn voor jou?
Ik refereer hier graag naar Henri Matisse. Hij zocht bijna metafysisch naar een punt waar zijn lijn kon vertrekken om daarna op een bepaald punt weer uit te sterven. Dat doe ik zelf ook, met allerlei materialen bovenop elkaar, potlood, kleurpotlood, houtskool... Het resultaat is vaak een beeld dat overvol zit. Zo heb ik op één van mijn tekeningen al mijn energie gestoken in het tekenen van kleine bolletjes naast elkaar, een zeer arbeidsintensieve bezigheid. Toen ik de volgende dag opnieuw naar die tekening keek, vond ik de volheid van dat beeld niet goed. Als reactie daarop sneed ik een groot gat uit het blad om opnieuw leegte te creëren.
Van het papier naar de ruimte. Wanneer je een installatie in de ruimte uittekent, hoe benader je precies die ruimte? Neemt ze de ruimte in, vult ze aan?
Sommige sculpturen zijn op zichzelf zwaar. Van daaruit ga ik dan op zoek naar een manier om ze lichter te maken. Ik ben me er wel altijd van bewust dat die uitwaaierende tekening de ruimte inpalmt maar uiteindelijk zoek ik toch altijd naar een manier om daar tegenwicht aan te geven.
Het is echt een kwestie van zoeken naar evenwicht, wat vaak in details zit. Ik voeg er dan een speels element aan toe door bijvoorbeeld een motorisch draaiend takje aan het plafond te hangen. Dat heb ik nu voor het eerst in de tentoonstelling in het Caermersklooster (Provinciale Prijs Beeldende Kunst 2007, nvdr) gedaan.
Dit idee van een ronddraaiend takje als een kinetisch apparaatje kwam al meermaals voor in tekeningen. Is dit speelse element ook een manier om de energie die uit jezelf komt en waarmee jouw tekeningen ontstaan, te relativeren?
Jazeker. Ik ben er ook meer en meer mee bezig om van die kinetische elementen in mijn tekeningen te verwerken. Maar door het effectief als apparaat in de ruimte te plaatsen, wordt die drang om van het conventionele tweedimensionale tekenvlak weg te gaan, versterkt. Waarom wordt een tekening altijd 'potlood op papier' genoemd? Het wegtekenen van het papier in de ruimte is een ding, er beweging aan toevoegen gaat nog een stapje verder.
De sculpturen die je maakt, worden voornamelijk opgebouwd uit bestaande, gevonden, vaak verwaarloosbare materialen zoals plastiek, takken, een oude tafel of versleten autozetels. Wat precies wil je met de sculpturen uitdrukken?
Het is voor mij een manier om die dubbelzinnigheid van door mensenhanden gefabriceerde objecten te onderzoeken. Ik vertrek steeds van zeer herkenbare materialen maar werk eraan tot het een 'nieuw ding', een derde wordt, bijna als iets dat niet bestaat maar wel zou kunnen bestaan. Eén van mijn recente sculpturen lijkt bijvoorbeeld op het eerste zicht een machine maar er zitten wel bladeren aan, ze staat nu in een ruimtelijke tekening in croxhapox. Soms maak ik met die gevonden materialen zeer eenvoudige sculpturen waarbij het samenbrengen van twee materialen tot één derde, en schijnbare tegenstellingen een belangrijke rol spelen. Soms zijn het juist zeer doorwerkte sculpturen, die ook het resultaat kunnen zijn van een herbewerking van sculpturen. Mijn werken kunnen op verschillende manieren 'gelezen' worden en zijn niet eenduidig te benaderen. Ik werk vanuit een fascinatie voor natuur, planten en groeiende bewegingen evenals voor onze persoonlijke natuur, beweging (ritme) en fysische gevoeligheden. Het is vooral een organisch proces en ik maak dus geen onderscheid tussen natuur en niet-natuur. Elk werk vloeit voort uit een ander werk en uit het waarnemen van en reflecteren over mijn omgeving.